We willen ten eerste beter worden voor de cliënt. Voor zijn leven, gezondheid en comfort doen we ons werk. We gaan op zoek naar de nieuwste technieken. We zorgen dat we in onverwachte situaties het hoofd koel kunnen houden. En als het kan, doen we graag iets extra’s. Zoals een patiënt een laatste keer naar het strand rijden. Ons werk levert mooie verhalen op, die soms zelfs de krant halen. Al is het daar ons natuurlijk niet om te doen.

‘Heel veel dank!’

Wekelijks ontvangen we kaartjes, mails, brieven, een fotootje… En uit alles blijkt de waardering van mensen.

‘Ik heb het gevoel dat de baby komt!’

Op 2 mei 2016 werd Jones geboren in de ambulance van Paul en Saïd. De ambulanceverpleegkundige, de ambulancechauffeur en de moeder vertellen hun eigen verhaal.

‘Er stond me niets in de weg’

Paul Broers, ambulanceverpleegkundige: ‘We waren koud op pad of ik hoor de moeder roepen: “Ik heb het gevoel dat de baby komt!”. Ze drong er op aan even te kijken en ja hoor, daar was het kruintje. Ik deed handschoenen aan, moeder perste en het hoofdje kwam eruit. Twee, drie persweeën later floepte, ik zat half op de brancard, het kindje in m’n armen. Ik had bij het gezin thuis nog aan de verloskundige gevraagd of ze verwachtte dat het kind spontaan ging komen. “Want dan heb ik liever dat je meegaat”. Dat was niet zo, zei ze. Maar goed. Toen ik dat kruintje zag, dacht ik: “Dan gaan we dit toch in de auto doen?” Er stond me niets in de weg. Het geeft wel echt een fantastisch gevoel hoor, als je dit zo samen weet te volbrengen. Sommigen maken dit nooit mee.’

‘Zij gaat echt wel in de auto bevallen’

Saïd Kaamouch, ambulancechauffeur: ‘Ik zag de moeder thuis de trap afkomen en dacht: “Die gaat echt wel in de auto bevallen”. Haar buik was laag, de manier waarop ze liep… We waren twee, drie kilometer onderweg toen ik haar hoorde roepen dat ze moest persen. Ik wilde de auto aan de kant zetten om eventueel te kunnen assisteren toen ik merkte dat ik niet eens verder kón rijden. Die ene brug in Hillegom die echt bijna nóóit open staat, stond dus open. Daarna hoorde ik een baby’tje huilen. “Het is een jongetje”, zei Paul. Ik ging naar achteren om te kijken wat ik kon doen. We overlegden over het wel of niet afknippen van de navelstreng. Paul had net een opfriscursus gynaecologie gehad en wist dat we met de navelstreng beter konden wachten. De ouders waren superblij met onze actie. Ik vond het ook zo leuk. Mijn dag kon niet meer stuk.’

‘Dat ze de moeite namen ons nog een keer te zien, vind ik heel speciaal’

‘Hij moest er gewoon uit’

Usha, moeder van Jones: ‘Thuis lukte niet. Dat vond ik een grote teleurstelling. Het is ons tweede kindje en ik hoopte dat ik het dit keer wel thuis voor elkaar kon krijgen. Van de verloskundige had ik de opdracht gekregen om onderweg de persweeën op te houden. Maar ja, dat lukte niet. Ik vroeg aan Paul of ik mocht persen. Hij moest er gewoon uit! En toen kwam Jones ineens heel snel. De broeders waren zo lief. Ik voelde dat ik in goede handen was. Vijf weken later zijn ze nog langs geweest. Dat was een enorme verrassing. Ze hadden allemaal kadootjes bij zich. Saïd had het ritformulier mooi opgemaakt en ingelijst. Dat ze de moeite namen ons nog een keer te zien, vind ik heel speciaal.’

We doen natuurlijk ‘gewoon ons werk’. Maar soms zijn er momenten die uitnodigen tot iets extra’s. En die momenten pakken we graag.

Ze waren op de Rijn, maar je hebt de Oude, de Nieuwe en de Stille…

Afgelopen zomer kreeg een boottocht van twee vrienden over de Oude Rijn in Leiden een nare wending. Een van de twee botste met zijn hoofd tegen een brug. Maar waar waren ze precies? De alerte verpleegkundig centralist Wilma Molema wist hen snel te traceren dankzij het innovatieve VIL-systeem. Ze haalde er de krant mee.

‘Het is alweer even geleden, je krijgt natuurlijk zó veel meldingen. Maar deze is me wel bij gebleven. Het VIL-systeem maakte hier echt het verschil. Even terug naar het begin. Ik kreeg op die bewuste zomerdag een melding. Een jongen vertelde dat zijn vriend, terwijl ze aan het varen waren, met zijn hoofd tegen een brug aan was gekomen. Die jongen had een flinke hoofdwond.

Waar ben je?

Ik vroeg waar ze waren maar dat wisten ze niet precies. Ja, in Leiden. Op de Rijn. Maar we hebben de Oude, de Nieuwe en de Stille Rijn. Na veel vragen zagen ze nog iets: een watertoren. Maar die kun je vanuit vier wateren zien… en de tijdsdruk nam toe.

Ik had al vaker gewerkt met VIL, Vaststelling Incident Locatie. Hiermee kun je op je computerscherm exact zien waar iemand zich bevindt. Maar dan moet diegene wel een telefoon met GPS bij zich hebben. Ik schatte in dat dit het geval was bij deze jonge jongens. Dat klopte. Ik vroeg of ik ze een link mocht sturen via SMS. Door deze te accepteren, kwamen ze in contact met het systeem. En zo is het gegaan. De ambulance was al een stuk die kant opgestuurd, waardoor ik ze snel de exácte locatie kon doorgeven.

‘Het VIL-systeem maakte hier echt het verschil voor de cliënt’

Met de jongen is het goed gekomen, maar zo zie je wel hoe belangrijk het is om te weten waar je bent. Veel mensen hebben ’t idee van: “Ik bel met 112 en dan komt het wel goed”. Nu is dat ook heel vaak zo, maar weten waar je bent is wel essentieel als elke seconde telt.’